Gambia staat hoog op ons lijstje van landen die we willen bezoeken. We zijn hier vier jaar geleden op vakantie geweest en het land heeft ons hart gestolen. 

We zeilen van Tenerife rechtstreeks naar Gambia. De 950 zeemijl leggen we af in acht dagen. De alternatieve tussenstop in Dakar slaan we maar over, het gaat best lekker. De aanloop van de rivieringang bij Banjul is goed gemarkeerd met vijf boeien. De geul is diep genoeg voor zeegaande vrachtschepen en dus zeker diep genoeg voor onze 1,70 meter.

Langs de zuidoever strekt een zandbank ver in zee en op sommige plekken liggen banken vlak naast de geul, opletten dus. 

Inklaren

Als we aankomen is het inmiddels donker en gaan we voor anker tegenover de oude werf bij Half Die, waar volgens de pilot van de RCC een ankerplek is. De volgende dag worden we erop gewezen dat we beter iets verderop kunnen ankeren, aan de westzijde van de steiger waar de vissersschepen afgemeerd liggen. Er liggen hier meerdere wrakken die met hoog water net niet zichtbaar zijn, het is beter om met laag water een ankerplek te vinden. Half Die dankt zijn naam aan een cholera-epidemie in 1869 waaraan de halve bevolking overleed. Het is een oud industriegebied waar zeeschepen worden gelost en geladen. De bebouwing bestaat uit roestige hallen waar goederen opgeslagen liggen. Het wegdek vertoont ernstige gaten en uit het open riool langs de weg komt een onbestemde geur omhoog. 

Half Die
Vissersboten bij Half Die

In deze inspirerende omgeving bevinden zich ook de kantoren van de immigratie en de douane. Na een paar keer vragen en een wandeling over het haventerrein vinden we het kantoor van immigratie; aan de achterkant van een stenen gebouw de derde deuropening die is afgesloten met een gordijn. Na een beleefd “knock, knock” schuiven we het gordijn opzij en komen we in een kamer met een bureau en een oversized tv. Als we duidelijk maken waar we voor komen blijkt dat we even moeten wachten op de official die ons kan helpen. 

Als hij na een minuut of twintig arriveert mogen we de volgende kamer in. Hier staan een tafel, een paar stoelen en een kast. Onze paspoorten worden uitgebreid bekeken, we moeten een paar vragen beantwoorden (waar komen we vandaan, hoe lang blijven we) en een formulier invullen. Dat blijkt best lastig want er is in de hele kamer geen pen te vinden waar nog inkt uitkomt. Gelukkig zijn wij hierop voorbereid; we bieden een pen uit onze eigen voorraad aan wat zeer gewaardeerd wordt! Als we dan ook nog uitleggen waar de afkorting op de pen voor staat is het ijs gebroken. Onze paspoorten worden gestempeld en we mogen 14 dagen in Gambia blijven. Tevreden over deze vlotte afhandeling gaan we vol goede moed naar de douane.

De rechthoekige ruimte staat vol met bureau’s waarachter zeven beambten druk met papieren in de weer zijn. In het smalle gangpad staan de vrachtafhandelaars te wachten op hun gestempelde documenten. Het is een komen en gaan van mensen. 

Een van de beambten geeft ons een formulier en legt uit hoe we dat moeten invullen. Er is geen kopieerapparaat dus vraagt hij of we zelf kopieën van onze paspoorten willen maken, bij een copieshop verderop in de straat. Natuurlijk, geen probleem! Gewapend met onze documenten en kopieën melden we ons weer bij de douane. Als we denken dat we klaar zijn wordt ons verteld dat we nog een verklaring nodig hebben. Daarvoor moeten we naar weer een ander gebouw waar in een klein, heet kamertje een gezette man ons ontvangt. Hij blijkt de inspecteur te zijn. Samen lopen we de lange modderige zandweg richting de kade waar onze boot voor anker ligt. Halverwege de wandeling bedenkt hij dat we de zaak ook op een andere manier kunnen oplossen. Na een kleine ‘vergoeding’ vult hij het benodigde document in en wandelen we weer terug, hij naar zijn kantoortje en wij naar het douanekantoor voor een laatste stempel.

Eenmaal weer aan boord strijken we de Q-vlag, we zijn officieel in Gambia!

Copyshop

Oyster Creek

Via een stelsel van kreken die tussen de mangroven doorslingeren varen we naar Oyster Creek bij Denton Bridge, halverwege de weg tussen de hoofdstad Banjul en Serekunda. De kreken zijn nog niet goed in kaart gebracht dus het is goed opletten of het diep genoeg is. Vlak voor de laatste bocht naar Oyster Creek loopt de dieptemeter plotseling snel terug en nog voor ik achteruit kan slaan zitten we vast in de modder. Het is vallend tij dus als we niet los komen liggen we hier nog een uur of vier voor we weer verder kunnen. We vragen hulp aan een voorbijkomende pirogue maar ook die krijgt ons niet los. Er zit niets anders op dan te wachten. Onder 20 graden helling bereiden de verse botervis die we van lokale vissers hebben gekregen en ik maak het onderwaterschip aan bakboord schoon. In het donker leggen we het laatste stukje af en ankeren we dicht bij de brug.

Reddingsactie met pirogue

De volgende ochtend varen we met de dinghy naar de kant waar onze goede vriend Lamin al op ons wacht. Lamin kennen van de vorige keer dat we in Gambia waren. Hij is gids en taxichauffeur. Er staat ook een militair die ons wil spreken. Het blijkt dat we erg dicht bij de elektrakabels liggen die over de brug gespannen zijn. Als we aan boord zijn zien we dat er maar een meter tussen de kabels en onze mast zit! Dat hadden we in het donker niet gezien. Snel verplaatsen we Saline naar een mooring van een lokale schipper. Omgeven door pirogues waarmee toeristen worden vervoerd naar een visstek of een tochtje over de kreken en ver van de elektrakabels liggen we een stuk veiliger.

Ankerplaats bij Oyster Creek
Het nieuwste schip van Kinteh

Lamin Lodge

 “Morning, morning. How are you?”, zoals elke ochtend rond 8 uur komt Sam aan roeien met de broodjes die we besteld hebben. We liggen al drie dagen voor anker bij Lamin Lodge, een indrukwekkend houten gebouw dat in de jaren ’80 van de vorige eeuw is gebouwd door een Duitse zeiler die zijn hart aan Gambia had verpand. Peter Losens is in juli 2018 overleden en sindsdien zet zijn Gambiaanse vrouw de zaak voort. Er liggen meerdere zeiljachten waarvan de meeste hier voor de winter ‘geparkeerd’ zijn.

Ankerplaats bij Lamin Lodge
Biertje in Lamin Lodge

De lokale bevolking verdient hier In het droge seizoen (november-april) zijn geld met boattrips en excursies voor toeristen. In het regenseizoen zijn er nauwelijks toeristen.

Als je door het gebouw over de loopbrug loopt kom je op een pleintje waar de internetboom staat. Hierop hebben verschillende bezoekers hun naam geschilderd. We gaan een stukje wandelen en belanden in het vier kilometer verderop gelegen dorp Lamin. We worden aangesproken door Solomon en verkennen het dorp met hem. In een plaatselijk café langs de doorgaande weg drinken we wat en praten we met Solomon over het leven in Gambia. Met zijn taxi brengt hij ons terug en hij rekent ons een vrij hoge prijs voor het korte ritje. Dat soort dingen moet je dus van tevoren afspreken.

Internet tree

James Island (Kunta Kinteh)

We varen verder de rivier op, richting Bintang Bolong. Onderweg ankeren we bij James Island (Kunta Kinteh) dat op de UNESCO werelderfgoedlijst staat. De volgende ochtend hebben we het eilandje voor onszelf en kunnen we rustig rondkijken. Op het kleine eilandje is een fort gebouwd waar in de 18e eeuw meer dan 100 mensen woonden. Dat moet aardig vol geweest zijn. Nu leven er alleen nog maar pelikanen, hagedissen en grote spinnen.

Zonsondergang bij James Island met pelikanen in de boom.
Grote spinnen!
Saline voor anker bij James Island

Bintang Bolon

Bij Bintang Bolon gaan we recht voor Bintang Bolon Lodge voor anker. De lodge is aan de rivier tussen de mangroven gebouwd en bestaat uit een aantal huisjes dat op palen is gebouwd en een overdekt terras/eetruimte. We knopen de dinghy vast aan het hek van het terras en bestellen drankjes en wat te eten. Doordat de lodge ver van de grote plaatsen af ligt is de keuze enigszins beperkt; vis of kip met rijst of friet. Het smaakt er niet minder om. 

Met de serveersters Olie en Mame hebben we de grootste lol. “I’m going to the bank” zeg ik als ik ontdek dat ik mijn portemonnee aan boord heb laten liggen. “ Bring something for me too” zegt Olly lachend. Mame en Olie zijn altijd vrolijk. 

Mame, Marjolein en Olie

Voor de plaatselijke jeugd hebben we wat spullen meegenomen; pennen, schriften, bellenblaas en een voetbal. Maar de voetbal hebben we nog niet opgeblazen en het pompje zijn we vergeten mee te nemen. “You show me the pump and then I will get the football” zeg ik tegen de jongens die om ons heen zwermen. Gelijk wordt er iemand met de fiets op uit gestuurd en vijf minuten later komt hij terug met de pomp. Zoals beloofd vaar ik naar onze boot om de voetbal te halen. Ze zijn zo enthousiast dat een ouder als ordebewaker moet optreden, anders lukt het niet eens om de bal op te pompen. De jeugd gaat voetballend verder en wij kunnen weer op ons gemak naar de boot.

De bal wordt opgepompt

Mame en Olie zijn verdrietig. Vandaag vertrekken we weer richting Denton Bridge. Ik geloof zelfs dat ik tranen zie bij Mame. Wij hebben het er zelf ook niet makkelijk mee. We voelen ons hier enorm welkom en de bevolking is zo vriendelijk. 

Pelican Island

Ons laatste uitstapje is naar Pelican Island, dat ligt op de zuidelijke grens van Gambia en Senegal. Omdat we een beetje ad hoc hadden besloten om hierheen te gaan moeten we een tijdje wachten op een boot die ons kan brengen. We zitten onder de veranda bij de lokale reddingspost. Het noodtelefoonnummer staat op de muur geverfd. Ik zet het gelijk in mijn telefoon, je weet maar nooit. Voor het materiaal zijn ze hier afhankelijk van giften uit het buitenland. De regering heeft er niet voldoende geld voor. De kleine polyester sloepjes die er liggen zien er niet erg zeewaardig uit. De post is 24 uur bemand en moet toch regelmatig uitvaren om vissers met motorpech te redden.

Reddinssloepen

Als je goed timed lukt het om droog in de boot te komen die door de branding heen ploegt. In een grote open boot varen we in een half uurtje naar Pelican Island. Behalve vier pelikanen en wat andere vogels ligt er plastic afval op het zandeiland. “If you bring a bag and clean the island every day, then it will be more attractive to tourist” zeggen we en voegen de daad bij het woord. Samen met Lamin, die met ons mee is, hebben we al snel een grote zak vol plastic gevuld die we mee naar de kant nemen. Weer terug bij het reddingsstation hebben we het met het hoofd van de reddingsdienst over het belang van schone stranden voor een land waarvan het toerisme een van de hoofdinkomsten is. 

Lamin en Jan-Paul met de oogst van een hal uurtje strandjutten

Uitklaren

In de dependance van de immigratiedienst bij Denton Bridge probeer ik of onze paspoorten hier gestempeld kunnen worden voor het uitklaren. De beambte moet daarvoor bellen met het hoofdkantoor en verklaart uiteindelijk dat we nog wel een dag kunnen blijven maar dat we toch echt in Banjul moeten uitklaren. Dat doen we de volgende ochtend. We ankeren weer bij Half Die en lopen bijna zonder te verdwalen naar het kantoortje. Daar treffen we dezelfde beambte die ons heeft ingeklaard. “Jullie hadden toestemming voor 14 dagen vanaf 1 november.” “Ja?” “Het is nu 15 november.” “Ja?” “Dus hadden jullie verlenging moeten aanvragen.” “Oh?” “Dat kost normaal 1000 dalashi (EUR 20,00).” “Aha, maar ik ben gisteren bij de dependance geweest en ik kon nog 1 dag blijven.” “Ja, maar eigenlijk had u twee dagen voor de termijn afliep verlenging moeten vragen.” “Ik snap het.” “Zo is de procedure. Heeft u een mooie tijd gehad in Gambia?” “Ja, we komen zeker weer terug.” “Okay, ik hoop u weer terug te zien. U bent van harte welkom.”. Onze paspoorten worden gestempeld en we mogen vertrekken. Met pijn in ons hart verlaten we het gastvrije Gambia en zetten koers richting Kaapverdië.

Dolfijn als uitgeleide op de Gambiarivier
Half Die
Kreek bij Bintang
Dorpskinderen
Captain Julebrew
Bintang rivier
Brutale aap